Music sample

Josquin Desprez(1440-1521) - Uit de Codex Amerbach:

Adieu mes amours

Registratie: Hw:H8, S1½

Van de CD: "Orgels van de Grote Sint Laurenskerk"

 

Zie ook de CD: "Van Covelens Organ anno 1511"

 

 

Organist: Pieter van Dijk

Grote Sint Laurenskerk

Van Covelens orgel

Dispositie
Hoofdwerk Bovenwerk Pedaal
8 stemmen 4 stemmen 1 stem
     
Doof 8’ Quintadeen 8’        Trompet 8'
Holpijp 8’ Fluit 4’  
Koppeldoof 4’ Octaaf 2’  
Openfluit 4’ Octaaf D 1’  
Sifflet 1’    
Mixtuur 2-6 st’          
Scherp 3-6 st    
Trompet 8’    
     

Compass manuals: FGA-g’’a’’ 

Compass pedal: FGA-c’, lade zonder cis en gis

Manual coupler: BW+HW B/D

Pedalcoupler: Ped+HW

Tremulant,  Ventile

Pitch: a’=427Hz

Temperament:  Mean tone

Wind pressure : 68 mm

Geschiedenis van het Van Covelens orgel
1511 Gebouwd door: Jan van Covelens
1545 Borstwerk toegevoegd door: Claes Willemsz
1551 Toevoeging van een Pedaaltrompet door: Allart Claesz
1625 Restauratie en veranderingen door: Jan Jacobsz van Lin
1630 Nieuwe wind toevoer door: Levijn Eekman
1651 Restauratie en veranderingen door: Jacobus van Hagerbeer
1703-1704   Restauratie door: Johannes Duytschot
1894 Restauratie en veranderingen door: L. Ypma & Co
1939 Restauratie en veranderingen door: H.W. Flentrop
1994-2000 Restauratie door: Flentrop Orgelbouw

 

Het bijna vijf eeuwen oude Van Covelens-orgel is sinds de jongste restauratie door Flentrop Orgelbouw weer in zijn oude glorie hersteld. Dit unieke instrument staat aan het begin van de Hollandse orgelbouwgeschiedenis. Het werd in 1511 vervaardigd door Jan van Covelens als éénklaviers orgel met 8 registers. Van Covelens verdeelde het pijpwerk van deze registers over een onder- en een bovenlade. De onderlade bevat het zogenaamde "Principael" bestaande uit de Doof, Koppeldoof, Mixtuur en Scherp. De samenstelling van het "Principael" is verwant met die van een blokwerk. Opvallend element daarin is het principe van het verdubbelen van koren: hoe hoger de positie op het klavier , des te meer verdubbelingen. Op de onderste toon F heeft het "Principael" 7 pijpen terwijl op de hoogste toon a" 17 pijpen klinken. In een contract van 1525 karakteriseert Van Covelens de klank van het "Principael" als "..liefflick ende scharp van geluytt..".De onderlade biedt bovendien plaats aan de Trompet. De bovenlade wordt met loden conducten direct gevoed uit de onderlade. Op deze lade bevinden zich de drie fluiten Holpijp, Openfluit en Sifflet.

  

Van Covelens' leerling Claes Willemsz breidde het orgel in 1545 uit met een Borstwerk van 2 (of 3?) registers. Dit Borstwerk dat zich direct achter de klaviatuur bevindt, heeft in de kerk de uitstraling van een echowerk. De huidige Quintadeen stamt van Claes Willemsz.

 

De pedaaltrompet werd waarschijnlijk in 1551 toegevoegd door Allart Claesz, de zoon van Claes Willemsz . Hij plaatste dit register in een kast ter rechterzijde van het orgel waardoor het uiterlijk van het instrument een zekere asymmetrie verkreeg. De bekers én koppen van deze Trompet bleven bewaard. Het lijkt erop dat deze uitbreiding in de lijn van Van Covelens plaatsvond. Voor zijn orgel in Franeker geeft van Covelens een hint omtrent het gebruik van een pedaaltrompet: "soe zal dit werck hebben een vol pedaal, dat men mach speelen die trompetten int principael werck". De Alkmaarse Trompet blijkt overigens ook verrassend goed te functioneren in kleinere ensembles met de Doof en Koppeldoof.

 

Van de Utrechtse orgelbouwer Jan Jacobsz. van Lin zijn in het huidige orgel de Fluit 4' en Octaaf 2' op het Borstwerk te beluisteren. De conische Fluit verving tussen 1625 en 1994 de Openfluit van Van Covelens op het Hoofdwerk. Tijdens de jongste restauratie bleek dat dit register een optimaal gebruik van de fluitencombinaties in de weg stond. Problemen op het gebied van windstabiliteit en mengvaardigheid deden de betrokkenen besluiten deze Fluit op het Borstwerk te plaatsen en alsnog Van Covelens Fluitentrio te reconstrueren.

 

 In de jaren 1639-1646 onstond aan de westzijde van de kerk een nieuw groot orgel dat gebouwd werd door de familie Van Hagerbeer. Dit nieuwe instrument is stellig één van de oorzaken waarom het Van Covelens-orgel de eeuwen getrotseerd heeft. Het kleine orgel werd immers sinds die tijd vooral gebruikt als het grote orgel niet bruikbaar was. Jacobus van Hagerbeer vernieuwde in 1651 de frontprestant (Doof) van het kleine orgel. Naar alle waarschijnlijkheid legde hij eveneens een eigen klavier voor het Borstwerk aan.

 

 Sinds 1640 werd de gemeentezang in Alkmaar al door orgel ondersteund! Dat verklaart waarschijnlijk de toevoeging van een gedeelde klavierkoppel door Johannes Duytschot in 1685. Of de kracht van het instrument daarmee was toegenomen moet echter betwijfeld worden, gezien het echokarakter van het Borstwerk.

  

In 1703-04 werkte Duytschot opnieuw aan het orgel. Uit deze tijd stamt het rechterbalkondeel. Het nu nog aanwezige pedaalklavier is ook van Duytschot.  Keurmeester Cornelius van Herk geeft in 1704 iets prijs van de functie en de aard van het kleine orgel:"...het Orgel in staat gebragt is om onder het Kerkgezang, als ook naa het zelve, gebruikt te konnen worden; doch moet met discretie en voorzigtigheyd, en niet met swaare geluiden en volle grepen behandeld worden".

 

De 19de eeuw ging aan het kleine orgel niet geheel ongemerkt voorbij. In deze eeuw verloor het instrument veel van zijn dubbelkoren. Een grote restauratie vond plaats in 1894 door de firma Ypma.

 

Vlak voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog herstelde H.W. Flentrop het kleine orgel.

 

Uitgangspunt bij de jongste restauratie was het orgel terug te brengen naar de toestand van 1651. Minutieus onderzoek van het oude pijpwerk en de gedemonteerde windladen verschafte echter zoveel duidelijkheid over de oorspronkelijke situatie, dat gedurende het restauratieproces de bakens werden verzet ten gunste van het Van Covelensconcept. Het Hoofdwerk werd zoveel mogelijk teruggebracht naar de situatie van 1511.

 

De werkzaamheden omvatten het herstel van de vele dubbelkoren, het reconstrueren van de Openfluit en de Sifflet en  het vervaardigen van drie nieuwe spaanbalgen. Voor de maatvoering van deze blaasbalgen was de beschrijving van Gerardus Havingha in zijn "Oorspronk en Voortgang der Orgelen" uit 1727 van grote waarde.

 

 

©Pieter van Dijk , Alkmaar , januari 2001

 

 

 
 
Copyright Schnitger © 2006